Bij de oprichting van een stamrecht B.V. zijn in het verleden al veel vragen gesteld en deze zijn beantwoord door de belastingdienst.
De staatssecretaris van Financiën heeft de staatsecretaris een besluit genomen over de toepassing van de stamrechtvrijstelling.
Medewerking werkgever
1. Moet de werkgever medewerking verlenen?
Naar de letter van de wet is het noodzakelijk dat de werkgever voor de stamrechtvrijstelling meewerkt aan een ontslagvergoeding in de vorm van een stamrecht. De staatssecretaris heeft echter goedgekeurd dat onder de omstandigheden de stamrechtvrijstelling toch toegepast kan worden. Deze omstandigheden komen erop neer dat de werknemer tegen zijn wil in de uitkering in eens krijgt en dat kenbaar heeft gemaakt. Daarnaast moet binnen 3 maanden na uitkering initiatief hebben genomen om de afkoopsom aan te wenden als koopsom voor een stamrecht. Daarnaast bestaan er verschillende formele vereisten.
Toestemming inspecteur
2. Is toestemming van de inspecteur vooraf noodzakelijk?
Voor toepassing van de vrijstelling is het niet nodig dat de inspecteur vooraf toestemming geeft. De inhoudingsplichtige kan al voordat toestemming is gegeven de stamrechtvrijstelling toepassen. Er kan wel zekerheid vooraf worden gevraagd. De inspecteur zal dan op verzoek laten weten of de vrijstelling kan worden toegepast. Dit verzoek zal pas beantwoord kunnen worden als de relevante bijlagen, zoals een concept stemrechtovereenkomst en de beëindigingsovereenkomst.
Afkoopverbod
3. Moet in een stemrechtovereenkomst een afkoopverbod zijn opgenomen?
Al in 1987 is beslist dat een stamrecht niet is vrijgesteld wanneer het stemrecht voorziet in andere opbrengsten dan uitsluitend periodieke uitkeringen. Er mag daarom geen afkoopmogelijkheid zijn opgenomen in de overeenkomst. Een expliciet verbod is niet noodzakelijk.
Hoogte termijnen
4. Mogen de termijnen uit een stamrecht in hoogte variëren?
De uit te keren termijnen moeten periodieke uitkeringen zijn. Om daarvan te kunnen spreken hoeven de termijnen anders dan bij een lijfrente niet vast en gelijkmatig te zijn. Het is dan ook mogelijk bij het ingaan van de termijnen wordt overeengekomen dat de termijnen afhankelijk zijn van bijvoorbeeld sociale uitkeringen. De wijziging moet bij het ingaan van de termijnen op een vast bedrag te zijn vastgesteld.
Bepaling sterftekans
5. Bepaling van sterftekans bij een periodieke uitkering welke afhankelijk is van twee levens.
Een periodieke uitkering moet afhankelijk zijn van een toekomstige onzekere gebeurtenis. Er moet sprake zijn van een wezenlijke onzekere gebeurtenis. Meestal zal de uitkering afhankelijk gesteld worden van een leven. Er is sprake van een wezenlijke sterfte kans als deze meer dan 0.94% is. Het is mogelijk de uitkering afhankelijk te stellen aan twee levens. Dit kan op twee manieren worden vormgegeven.
De staatsecretaris heeft aangegeven dat bij beide mogelijkheden sprake is van 2 periodieke uitkeringen. Één voor A en één voor B. Beide uitkeringen moeten afhankelijk zijn van een onzekere gebeurtenis. Dat de uitkering B pas toekomt bij overlijden van A kan buitenbeschouwing worden gelaten. Er moet uitgegaan worden voor de bepaling van de sterftekans van de meest relevante sterftetabellen.
Sterftekans bij (pleeg)kind
6. Moet de minimale sterftekans ook aanwezig zijn bij toekenning van de uitkeringen aan een (pleeg)kind jonger dan 30 jaar?
In deze situatie moeten de periodieke uitkeringen eindigen als het kind de leeftijd van 30 jaar bereikt. Hierdoor voldoende de uitkeringen aan het kind bijna nooit aan de sterftekans eis. Overeenkomstig de wetgeving voor lijfrenten is in dit geval de sterftekans niet van belang.
Vergoeding deels niet voor gederfd of te derven loon
7. Als een stamrecht deels niet toegekend wordt ter vervanging van gederfd of te derven loon, kan dan toch gebruikt gemaakt worden van de stamrechtvrijstelling?
Tot voorkort kon de gehele afkoopsom niet onder de vrijstelling worden gebracht als een deel van de afkoopsom ontvangen werd voor bijvoorbeeld niet opgenomen vakantiedagen. Als een deel werd ontvangen niet ten behoeve van de gederfd of te derven loon bestond geen aanspraak op de vrijstelling.
Recent heeft de Hoge Raad echter een arrest gewezen (HR, 19-09-2008, nr. 07/10524, VN 2008/46.15), waarin beslist is dat indien in eens een bedrag wordt gestort, waaronder en een vergoeding voor gederfd en te derven loon en een vergoeding voor bijvoorbeeld niet opgenomen vakantiedagen de vergoeding gesplist kan worden. Zo kan het gedeelte dat aangemerkt wordt als ontslagvergoeding toch onder de vrijstelling vallen.
Vertraagd uitbetaald loon
8. Kan vertraagd uitbetaald loon vallen onder de vrijstelling?
Wanneer sprake is van vertraagd uitbetaald loon en de (ex-werkgever) een verhoging ex artikel 7:625 BW uitbetaalt, behoort die verhoging op grond van het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 1978, nr. 18 592, BNB 1978/255, tot het loon. Het is geen vergoeding voor gederfd loon of te derven loon. De uitkering kan dan ook niet onder de vrijstelling vallen.
Een door de rechter toegekende ontslagvergoeding
9. Het komt voor dat de kantonrechter uitspraak moet doen voordat tot ontslag kan worden overgegaan. In die uitspraak wordt dan wel de hoogte van de afkoopsom vastgesteld, zonder er rekening mee te houden dat die afkoopsom kan worden genoten in de vorm van een stamrecht. Blijft in dat geval de mogelijkheid openstaan dat de (gewezen) werknemer zijn ontslagvergoeding geniet in de vorm van een vrijgesteld stamrecht, of wordt de in de uitspraak opgenomen afkoopsom geacht te zijn genoten?
In de geschetste situatie blijft het mogelijk dat werkgever en werknemer overeenkomen dat de ontslagvergoeding wordt uitgekeerd in de vorm van een stamrecht. De stamrechtvrijstelling is dan normaal toepasbaar. Voorwaarde is wel dat de werkgever de afkoopsom rechtstreeks stort bij een verzekeraar of op een geblokkeerde derdenrekening bij een advocaat of notaris. Het bedrag mag niet eerst overgemaakt worden op een privérekening, in dat geval is de vrijstelling niet meer van toepassing.
Ontslagvergoeding in de vorm van een uitkering ineens
10. Kan een werknemer gebruik maken van de stamrechtvrijstelling, wanneer hij met zijn werkgever een ontslagvergoeding in de vorm van een éénmalige uitkering is overeengekomen?
In artikel 11, eerste lid, onderdeel g, wet LB wordt een aanspraak op een periodieke uitkering ter vervanging van te gederfd of te derven loon onder voorwaarden vrijgesteld. Van een aanspraak is in beginsel geen sprake wanneer de werkgever uitsluitend een bedrag ter beschikking stelt waarover de werknemer vrij kan beschikken, bijvoorbeeld voor de aankoop van een stamrecht. Dat de werkgever een aanspraak heeft toegekend kan minimaal blijken uit het feit dat de werkgever de ontslagvergoeding rechtstreeks stort bij een verzekeraar of op een geblokkeerde derdenrekening van een notaris of advocaat ter aankoop van een stamrecht.
Tussenstorting op derdenrekening, termijn doorstorting
11. In het besluit van 21 december 2000, nr. CPP2000/3040M is bepaald dat een afkoopsom bij ontslag geacht wordt niet te zijn genoten wanneer de ontslaguitkering door de werkgever tijdelijk wordt gestort op een geblokkeerde derdenrekening bij een notaris of advocaat in afwachting van de oprichting van een BV of om een betere keuze te kunnen maken tussen de diverse aanbiedingen van verzekeraars.
Hoe lang kan de afkoopsom op deze derdenrekening blijven staan, zonder dat toepassing van de stamrechtvrijstelling gevaar loopt?
Het geld kan op een derdenrekening worden gestort in afwachting van de oprichting van de stamrecht-BV, of om beter te kunnen kiezen bij welke verzekeraar de koopsom het best kan worden ondergebracht. Op grond van o.a. het arrest van de Hoge Raad van 16 september 1981, BNB 1982/15, dient de werknemer een redelijke termijn te worden gegund om zijn keuze te bepalen of de stamrecht-BV op te richten. Het begrip “binnen een redelijke termijn” heeft de Hoge Raad niet nader ingevuld. De periode welke staat voor “een redelijke termijn” is sterk afhankelijk van de feiten en omstandigheden in een specifieke casus. Een termijn van drie maanden kan in alle gevallen als redelijk worden aangemerkt. Een termijn van meer dan drie maanden wordt alleen als redelijk aangemerkt wanneer de werknemer dat aannemelijk maakt.
Het saldo op de derdenrekening wordt niet geheel gebruikt als koopsom voor een stamrecht
12. In afwachting van de oprichting van de stamrecht-BV, of om een betere keuze te kunnen maken uit de mogelijke verzekeraars, kan de werkgever de koopsom voor een stamrecht storten op een geblokkeerde derdenrekening bij een notaris of advocaat. Wanneer de werknemer er nadien voor kiest een deel van die koopsom niet te gebruiken voor de aankoop van een stamrecht, bijvoorbeeld omdat hij het voor de volstorting van zijn aandelen in de stamrecht-BV wenst te gebruiken, of omdat hij er in contanten over wenst te beschikken, wat zijn dan de fiscale gevolgen?
Nadat de ontslagvergoeding een geblokkeerde derdenrekening bij een notaris of advocaat is gestort, om te worden aangewend als koopsom voor een stamrecht, kan de werknemer er niet meer voor kiezen een deel van de gestorte ontslagvergoeding anders aan te wenden dan als koopsom voor een stamrecht. De storting op de derdenrekening is immers vrijgesteld voor de loonheffing omdat sprake was van een toegekende aanspraak in de vorm van een stamrecht.
De tijdelijke storting van de ontslagvergoeding op de derdenrekening is alleen toegestaan om de voorwaarden van het stamrecht nader te kunnen invullen. Wanneer niet de gehele storting op de derdenrekening wordt aangewend voor de aankoop van het overeengekomen stamrecht, dan is sprake van een (gedeeltelijke) afkoop van het stamrecht. Op grond van artikel 19b, wet LB wordt in dat geval de gehele aanspraak aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking. De notaris of advocaat is in dat geval inhoudingsplichtige op grond van artikel 6, vijfde lid, wet LB, dan wel op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel b, wet LB.
Ingangsdatum periodieke uitkering in polis
13. Moet uit de stamrechtovereenkomst blijken op welk moment de periodieke uitkeringen ingaan?
In een stamrecht van voor 1 januari 1995, gebaseerd op artikel 11, eerste lid, onderdeel d, wet LB (tekst 1994) hoeft geen uiterste ingangsdatum van de periodieke uitkeringen te zijn opgenomen. Bij een stamrecht van na 1 januari 1995, waarop artikel 11, eerste lid, onderdeel g, wet LB van toepassing is, moet in de polis te zijn opgenomen dat de periodieke uitkeringen uiterlijk dienen in te gaan in het jaar waarin de werknemer de leeftijd van 65 jaar bereikt, dan wel bij zijn eerdere overlijden.
(Toekomstige) echtgenoot, partner of kinderen
14. In artikel 11, eerste lid, onderdeel g, ten eerste, wet LB wordt een limitatieve opsomming gegeven van de mogelijke begunstigden van een stamrecht. Die begunstigden zijn: de (gewezen) echtgenoot, degene met wie een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd en/of de kinderen van de (gewezen) werknemer. Gaat het daarbij om de echtgenoot, de partner en de kinderen ten tijde van het ontslag of kunnen hieronder ook worden begrepen de eventuele toekomstige echtgenoot, partner en kinderen?
Het stamrecht moet aansluiten bij de omstandigheden van het moment waarop het wordt toegekend. Een alleenstaande werknemer, zonder kinderen kan dus alleen een stamrecht bedingen met zichzelf als begunstigde. Krijgt deze werknemer later alsnog een partner of kinderen, dan kan het stamrecht worden omgezet in een stamrecht waarbij de partner en/of de kinderen als begunstigden worden opgenomen.
Slotbegunstiging
15. Is het toegestaan om naast de in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, ten eerste, wet LB genoemde begunstigden de erfgenamen van de (gewezen) werknemer als slotbegunstigden op te nemen?
Nee. Een recht waarbij uitkeringen kunnen toekomen aan personen buiten de in artikel 11, eerste lid, onderdeel g, ten eerste, wet LB genoemde kring van begunstigden, valt niet onder de stamrechtvrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, wet LB. Zie ook de vorige vraag.
Verzekeraar stamrecht, PSW
16. Een lichaam als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel d wet LB, kan op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, wet LB als verzekeraar optreden. In artikel 19.b, eerste lid, onderdeel d wet LB is opgenomen dat deze verzekeraar alleen als verzekeraar van pensioenen optreden ter uitvoering van toezeggingen als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Pensioen- en spaarfondsenwet, of van toezeggingen waarvoor ontheffing is verleend van artikel 2, eerste lid van die wet. Geldt deze voorwaarde ook voor lichamen als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel d, wet LB, die willen optreden als verzekeraar van een stamrecht?
Nee, artikel 19a, tweede lid, wet LB is alleen van toepassing als het gaat om het verzekeren van een pensioen.
Verzekeraar stamrecht, drijven onderneming
17. Als een stamrecht is verzekerd bij een verzekeraar als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel d, wet LB, is het dan toegestaan dat dit lichaam ook andere ondernemingsactviteiten ontplooit?
Ja.
Verzekeraar stamrecht, beleggingseisen
18. Als een stamrecht is verzekerd bij een verzekeraar als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel d, wet LB, kunnen aan dit lichaam dan beleggingseisen worden gesteld?
Nee. Wel is het zakelijke karakter van de transacties door een verzekeraar als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel d, wet LB een belangrijk aandachtspunt. In het bijzonder wanneer de verzekeraar transacties aangaat met (familieleden van) een aandeelhouder of stamrechtgerechtigde(n). Voorkomen moet worden dat deze transacties er toe leiden dat het stamrecht feitelijk wordt genoten.
Echtscheiding, verdeling stamrecht
19. In verband met een echtscheiding wordt de helft van de waarde van een stamrecht in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel g, wet LB aan de (ex-)echtgenote toegedeeld. Heeft deze verdeling gevolgen voor de belastingheffing?
Nee. Ingevolge het bepaalde in artikel 19b, derde lid, wet LB, in samenhang met het zesde lid van dat artikel, leidt de vervreemding of omzetting van een stamrecht in het kader van echtscheiding, scheiding van tafel en bed of beëindiging van de samenleving niet tot belastingheffing. Voor de heffing van loonbelasting wordt er vanuit gegaan dat geen nieuw recht is ontstaan, maar dat de aan de (ex-) echtgenote toegedeelde helft een voortzetting is van het recht zoals dat eerder aan haar echtgenoot is toegekende. Als gevolg hiervan wordt de (ex-) echtgenote na de verdeling van het stamrecht voor de aan haar toegedeelde helft aangemerkt als “de werknemer”.
Bron: Ministerie van Financiën
Besluit van 27 november 2002, nr. CPP2002/896M
Besluit van 8 september 2008, nr. CPP2008/1727M
Nieuwe jurisprudentie (Vakstudie Nieuws)
Participatie echtgenoot
20.Is het mogelijk om de echtgenote ook te laten participeren als aandeelhouder in de Stamrecht B.V.?
Wettelijk gezien is dit geen enkel probleem. Echter in geval van echtscheiding kunnen er problemen ontstaan.
Heffing over ontslagvergoeding?
21. Wordt er belasting geheven over de ontslagvergoeding?
Voor het overbrengen van een ontslagvergoeding naar een stamrecht B.V. of een verzekeraar wordt 26% belasting geheven indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden. Indien er geen sprake is een VUT-achtige uitkering kan de afkoopsom belastingvrij worden gestort in een fonds. Als er sprake is van een overbruggingsuitkering tot de pensioengerechtigde leeftijd, wordt er 26% geheven over het bedrag dat in een Stamrecht B.V. wordt gestort. Deze heffing is nog steeds minder dan in de situatie dat in één keer de vergoeding wordt uitgekeerd. De heffing wordt ook wel strafheffing genoemd.
Voorwaarden strafheffing
22. Wanneer is er in ieder geval geen sprake van de strafheffing van 26%?
Er is in ieder geval geen sprake van eindheffing in de volgende gevallen:
- bij een reorganisatie,
- bij individueel ontslag vanwege disfunctioneren
Bij een reorganisatie waar enkel oudere werknemers hun ontslag krijgen (55-jaar en ouder) die de mogelijkheid geboden wordt om te stoppen met werken, is de eindheffing wel van toepassing. De reorganisatie geeft dan enkel de mogelijkheid eerder uit te treden en is er sprake van een VUT-regeling, die door de strafheffing getroffen worden.
23. Wat betekent dit nu concreet voor mij?
Als u wegens een reorganisatie of disfunctioneren ontslagen wordt, is in de meeste gevallen de eindheffing niet van toepassing. Alles blijft dus bij het oude. Als de eindheffing wel van toepassing is (bijvoorbeeld omdat u 62 jaar bent bij uw ontslag), dan is het voor de werkgever een stuk duurder om u te ontslaan. Voor u blijft het toch interessant om een stamrecht BV op te richten.
Voor overige vragen of een afspraak neemt u contact met ons op.